Chimsky
Hoewel u hier waarschijnlijk niet meer komt, wil ik toch even melden dat ik weer een nieuwe plek heb om mijn al dan niet zinloze gedachten met u te delen. Chimsky heet het. En het is er aangenaam toeven.
Hoewel u hier waarschijnlijk niet meer komt, wil ik toch even melden dat ik weer een nieuwe plek heb om mijn al dan niet zinloze gedachten met u te delen. Chimsky heet het. En het is er aangenaam toeven.
Zoals u in uw onmetelijke alertheid wellicht gemerkt hebt, doe ik hier niet zoveel meer. Het blijkt me zelfs te veel moeite te kosten om stukjes die ik reeds heb geschreven, even te kopiëren en op deze plek te plakken. Daarom heb ik, op deze schitterende dag waarop wij bij de gevallenen stilstaan, besloten er maar eens mee op te houden. Wilt u mij blijven volgen (en dat wilt u), dan kunt u in het vervolg beter naar mijn pagina op salonblog Panzerfaust surfen. Het is daar overigens sowieso wel gezellig. Meestal. Mocht u hier toch nog even willen blijven hangen, hier is het archief. En brengt u ook eens een bezoekje aan Shayne. Ze heeft u nodig.
In de Bijbel Lees Sessies (BLS) doet Max J. Molovich verslag van zijn poging de bijbel van begin tot eind te lezen. Wilt u dit lezen met plaatjes en onderschriffies, dan moet u hier zijn.

Wie veel drinkt in gezelschap loopt het gevaar op gezette tijden ineen zogenaamde filosofische discussie te belanden. Op zulkegelegenheden, die met een behoorlijke regelmaat plaatsvinden in huizeMolovich, mag mevrouw Molovich graag aanhalen wat zij ooit over Kierkegaardheeft geleerd, te weten de drie stadia van het bestaan: hetesthetische, het ethische en het religieuze. Het eerste stadium (hetesthetische dus) zou belichaamd worden door Mozarts creatie van DonJuan, die op aarde is om zoveel mogelijk vrouwen te veroveren. Hij istotaal egocentrisch en ziet de vrouw als gebruiksvoorwerp dat alleenbetekenis heeft wanneer ze zijn lusten weet te bevredigen. Eennarcistisch roofdier, dat enkel en alleen leeft om zijn seksuele hongerte stillen. Het stadium waarin Joran van der Sloot verkeert, kortom.
Het tweede stadium (het ethische) wordt belichaamddoor Socrates, een enorme pain in the ass die in de vijfde eeuw voorChristus zijn Atheense stadsgenoten het leven zuur maakte door henvervelende vragen over zichzelf te laten beantwoorden (onder het motto:ken uzelf en u kent God), waardoor hij zo onuitstaanbaar werd dat hetgeen verbazing mag wekken dat de Atheners op een gegeven moment genoeghadden van dat hooghartige gedoe en Socrates dwongen zelfmoord teplegen. Dat deed Socrates vervolgens nog ook, waarbij hij van degelegenheid gebruik maakte om zijn treurende vrienden met flauwegrapjes te ‘vermaken’. De man nam, kortom, niets serieus, zelfs zijneigen dood niet. Dat hij bereid was om voor zijn ideeën te sterven,maakte hem volgens Kierkegaard de ethicus bij uitstek. In deze vragendezeur herkennen wij Peter R. de Vries, wiens ‘vind je dat normaal ofzo?’ en ‘doe je dat thuis ook?’ de hedendaagse varianten zijn vanSocrates’ “wat is dat eigenlijk, goedheid?â€Hetderde stadium (het religieuze) komt ons wat wereldvreemd voor vandaagde dag. Kunnen wij Socrates, die bereid was voor zijn ideeën testerven, nog begrijpen; met iemand die zich overgeeft aan iets watvolledig buiten zichzelf ligt, kunnen wij ons steeds moeilijkeridentificeren. Als belichaming van het derde stadium koos KierkegaardAbraham, de man die bereid bleek zijn zoon op te offeren voor God.Abraham had zoveel vertrouwen in het hogere dat hij zelfs geen moeitehad zijn nageslacht op te geven. Over die belangrijke passage uit debijbel wilde ik het vandaag graag met u hebben.
Voor het zoverwas, gebeurde er nog wel het een en ander. Zo loog Abraham voor detweede keer in zijn leven dat zijn vrouw zijn zuster was uit angst teworden vermoord door geile bewoners van het land waarin hij in diedagen vertoefde. Dat zijn vrouw inmiddels ruim de negentig wasgepasseerd mocht kennelijk geen probleem heten, want inderdaad: al snellaat koning Abimelech Sara weghalen om haar tot zich te nemen. Gelukkigbesluit God om Abimelech te waarschuwen voordat hij de fout begaatseksuele gemeenschap met Sara te hebben. Uit voorzorg had hij overigensalle vrouwen in de buurt van Abimelech onvruchtbaar gemaakt. WaarnaAbimelech de volgende dag Abraham laat komen om te vragen waarom dezegelogen had. Ja, zegt Abraham, dat zit zo: ik was bang dat jullie mezouden doden om mijn vrouw, bovendien (en nu komt de aap uit de mouw):“En bovendien is zij werkelijk mijn zuster; zij is de dochter van mijnvader, maar niet de dochter van mijn moeder; en zij is mij tot vrouwgeworden.†(Gen. 10:12)
Datgeeft nogal een hele andere betekenis aan het gezegde ‘als broer en zusleven’, want in het volgende hoofdstuk lukt het Abraham eindelijk ombij zijn hoogbejaarde halfzus een zoon te verwekken, die zij Isaäknoemen. Sara is als een kind zo blij, en lacht de hele dag, ondanks deongetwijfeld pijnlijke bevalling. Ze kan, kortom, haar geluk niet op.Totdat ze zich ineens weer bedenkt dat Abraham nog een zoon heeft, diehij bij de slavin Hagar had verwekt. En Sara draagt Abraham op om Hagarmet haar zoon de woestijn in te sturen en hoewel Abraham het hiereigenlijk niet mee eens is, doet hij dit toch, omdat God heeft gezegddat hij naar Sara moet luisteren. Om een lang verhaal kort te maken: inde woestijn komen Hagar en Ismaël bijna om van honger, dorst enuitputting, totdat God hen een waterput wijst en belooft dat uit Ismaëleen groot volk zal voortspruiten. Ismaël zal de stamvader van deArabieren (en daarmee van de Islamieten) worden, Isaäk van de Joden.Volgens de Koran is het Ismaël die door Abraham bijna geofferd wordt,volgens de Bijbel is het Isaäk. En aangezien dit de Bijbel Lees Sessieszijn, gaan wij voor het tweede verhaal. Maar dat zal voor morgen zijn,want anders wordt dit verhaal wat lang. En u heeft vermoedelijk wel watbeters te doen.
"Hiernagebeurde het, dat God Abraham op de proef stelde.†(Gen. 22:1) Op diemanier wordt een van de belangrijkste en tevens een van de meesthuiveringwekkende verhalen van de bijbel ingeleid. Op dezelfdeachteloze manier als God ooit Adam tot Zich riep, vlak voordat Hij hemhet paradijs uit gooide, roept hij nu de naam van Abraham. Abraham, dieniets door heeft, antwoord opgewekt: “Hier ben ik.†(Gen. 22-2) En dan,uit het niets, op volmaakt valse wijze, stelt God Zijn vraag: “Neemtoch uw zoon, uw enige, die gij liefhebt, Isaäk, en ga naar het landMoria, en offer hem daar tot een brandoffer op een der bergen, die Ik unoemen zal.†(Gen. 22-3)
Bemerk diesmerige opbouw in Gods vraag. Het begin klinkt als een vriendelijkverzoek om er eens tussenuit te gaan. Neem eens een dagje vrij,Abraham, en neem je zoon mee, je enige zoon, je zoon van wie je zoontzettend veel houdt, die zoon die je niet de woestijn in hebtgestuurd. Ga toch eens wat leuks doen met z`n tweeën, een beetje dieband tussen vader en zoon versterken! Ga naar Moria, daar hebben ze eenleuke speeltuin, daar kunnen jullie samen een ijsje eten. En o ja, alsje daar toch bent, offer Isaäk dan gelijk even voor me, wil je? Bijvoorbaat hartstikke bedankt!
En Abraham, religieuze gek die hijis, trekt Gods onmetelijke wijsheid niet in twijfel, verrekt geen spieren doet wat van hem verlangd wordt. De volgende dag gaan hij en zijnzoon, in het gezelschap van twee knechten, op pad naar de berg dieaangewezen zal worden als ze er zijn. Het blijkt nog een hele trip: pasde derde dag ziet Abraham, bij het ontwaken, de berg waar hij zijn zoonmoet offeren. Hij vraagt zijn knechten halt te houden, en hij gaat metzijn zoon alleen verder. Abraham geeft zijn zoon het brandhout waaropdeze niet veel later zou moeten branden. Hijzelf neemt het vuur en hetmes met zich mee. En zo gaan ze met z’n tweetjes op weg.
Detocht naar de offerplaats is hartverscheurend. Isaäk, het schranderejoch, bemerkt al snel dat er iets vreemds aan de hand is. Kinderenvoelen zoiets. Vader is wat stilletjes. En bovendien: ze hebben allesbij zich, behalve een lam om te offeren. “Toen sprak Isaäk tot zijnvader Abraham en zeide: Mijn vader, en deze zeide: Hier ben ik, mijnzoon. (Bemerk hier overigens hoe Abraham een beetje de manier van spreken van God overneemt, nu hij tot zijn zoon spreekt, red.).En Isaäk zeide: Hier is het vuur en het hout, maar waar is het lam tenbrandoffer?†Abraham antwoordt dat God Zichzelf zal voorzien van eenlam ten brandoffer. Ik stel me zo voor dat de tranen over Abrahamswangen biggelden terwijl hij dit antwoord gaf, en dat hij de snik inzijn stem probeerde te verbergen en daardoor wat zachtjes klonk, zodathij het antwoord moest herhalen.
De manier waarop Abraham zijnzoon uiteindelijk op het altaar legt, wordt zonder enige opsmukbeschreven. Er staat eenvoudigweg dat Abraham een altaar bouwde, hethout schikte, Isaäk vastbond, en hem bovenop het hout legde. Daaropstrekte Abraham zijn hand uit en nam het mes om zijn zoon te slachten.Er komt geen gejank aan gepas, geen dramatische smeekbedes van de zoonaan zijn vader, het drama lijkt zich in volmaakte sereniteit af tespelen.
Maar net als Abraham op het punt staat om zijn zoonte slachten, daalt de Engel des Heren neer om te vertellen dat hetallemaal een grapje was. Voor het eerst in de bijbel lijkt God (in degedaante van de Engel des Heren) een beetje in paniek: “Maar de Engeldes Heren riep tot hem van de hemel en zeide: Abraham, Abraham!†(Gen.22-11) Zowaar, de Here durft Zich voor de gelegenheid zelfs eenuitroepteken te permitteren. Dat had God niet verwacht, dat Abraham Hemzo serieus zou nemen. Niet dat Hij dit toegeeft. God zou God niet zijnals Hij er geen Zichzelf bevestigende draai aan wist te geven: “Strekuw hand niet uit naar de jongen en doe hem niets, want nu weet Ik, datgij godvrezend zijt, en uw zoon, uw enige, Mij niet hebt onthouden.â€(Gen. 22-12) Ik vind: zo ga je niet met je onderdanen om. Totaleovergave is niet iets om luchthartig over te doen, daar mag je niet meespelen. Dat God daar anders over denkt, zal later bijvoorbeeld ook Jobnog duur komen te staan. Maar dat duurt nog een paar duizendbladzijden.
Als Abraham even later zijn ogen weer opslaat,ziet hij een ram in de struiken staan. “En Abraham ging en nam de ramen offerde hem ten brandoffer in plaats van zijn zoon. En hij noemdedie plaats: De Here zal erin voorzien.†(Gen. 22-13-14) Nee, eniggevoel voor understatement valt Abraham niet te ontzeggen. God,ongetwijfeld overspoeld door gevoelens van spijt, schaamte en wroeging,zweert dat Hij Abraham en diens zoon rijkelijk zal zegenen. En voor dezoveelste maal belooft hij Abrahams nageslacht zeer talrijk te maken:“Als de sterren des hemels en als het zand aan de oever der zee, en uwnageslacht zal de poort zijner vijanden in bezit nemen. En met uwnageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden, omdat gij naarmijn stem gehoord hebt.†(Gen. 22-18) Dat is wel het minste wat je kandoen, denk ik dan.
Abraham en Isaäk keren vervolgens terugtot de knechten. Wat Abraham en Isaäk elkaar hebben gezegd toen ze deberg afwandelden, zegt de bijbel niet. Ik stel me zo voor dat Isaäkniet precies begreep wat hem was overkomen. Ben ik nu werkelijk aan dedood ontsnapt, wilde mijn vader mij nu echt offeren aan zijn God? Datzou hij zich hebben afgevraagd, maar hij zou de vraag niet hebbendurven stellen, bang als hij was voor het antwoord. En ik stel me zovoor dat Abraham zocht naar woorden om tegen zijn zoon te zeggen,woorden om hem gerust te stellen, woorden om de sfeer wat teverluchtigen, hij zocht de juiste woorden, maar wist deze niet tevinden, en bleef dus maar zwijgen. Vader en zoon, daar lopen ze, deberg af, zonder iets te zeggen.
Volgens Kierkegaard heeftAbraham met deze proeve van geloof het hoogste stadium van het menszijn bereikt. Enkel en alleen verantwoording aan God hoeven af teleggen, maar niet bij machte zijn je zoon te vertellen wat er zojuistgebeurd is. Ik noem het liever absolute waanzin.
Voor dit stukkie met plaatjes en onderschriffies moet u hiero wezen.

Zo nu en dan, als de sterren juist staan, sta ik op zondagochtend weleens vroeg genoeg op om de salonintellectueel uit te hangen en eerstnaar Boeken en dan naar Buitenhof te kijken. Soms komp het zelfs voor dat ik een staartje van het piep- en ploinkprogramma Vrije Geluiden meepik, waarvan ik de presentator het een keer heb zien klaarspelen om het niet ondeskundige rockgroepje Hospital Bombers naar hun instrumenten te sturen met de vraag ‘welke compositie’ ze van plan waren te spelen. Maar dat terzijde.
AlsBuitenhof om vijf voor twaalf wordt aangekondigd, hoop ik altijd dat decolumnist van dienst Désanne van Brederode is. Niet om te genieten vanhaar ‘zorgvuldig geformuleerde’ en ‘mooi met taal werkende’ zinnen(zoals het op deze plek ooit eens werd verwoord), maar juist omdat ik mij dan lekker in ouderwetse ergernis kan wentelen.
Désannevan Brederode. Wie met zo’n naam op de wereld wordt gezet is gedoemd omeen leven lang, hunkerend naar hoofse liefde, geen spiegel voorbij tegaan zonder even een blik op zichzelf te richten. Je ziet het al hoe zenaast het katheder van Buitenhof staat. Daar staat een meisje dat langvervlogen normen en waarden in ere houdt, een meisje met verhevenidealen die de waan van de dag mijlenver weten te ontstijgen, eenmeisje dat weet hoe ze zich moet kleden, en dat er voor kan zorgen datde wereld een heel klein beetje liever zou worden als zij eindelijkbaas zou zijn van het journaal.
Het eerste wat mijn ergenisalarm altijd hevig doet loeien, ishaar trommelvliezen teisterende stemgeluid. Ze klinkt als Femke Halsemadie met zo’n Calimero-stemmetje een klein meisje nadoet. Vrouwen vanrond de dertig praten wel eens op die wijze met elkaar als ze aan derest van het café willen laten zien dat ze goeie vriendinnen zijn.Désanne van Brederode klinkt altijd zo. Bovendien lijkt ze elk momentop het punt aan te belanden dat ze breekt en in huilen uitbarst. Daarkan zij niks aan doen, hoor ik u zeggen, en dat kan wel zijn, maar watik de avond ervoor ook gegeten heb, het heeft altijd een desastreusewerking op mijn maaginhoud. Het duurt nooit lang voordat de eersteoprispingen zich aanmelden. En dat mag ik haar misschien wel nietkwalijk nemen, ik merk altijd dat ik dat wel doe. Praat eens normaal,hoor ik mezelf dan naar het TV-scherm schreeuwen. Maar ze gaat gewoondoor.
En waar ze mee doorgaat, is het verkondigen van haarmening. En die mening, waar die ook over handelt, is altijd evencorrect, even saai, even braaf, bevat altijd dezelfde zweem vandoordachtzaamheid, dezelfde zelfgenoegzaamheid, en (en dat is nog hetergste) hetzelfde dédain jegens mensen die wat minder verheven denkendan zij. Maar als je door al die schone schijn heen weet te prikken (endat is meestal niet zo moeilijk), slaat het meestal nergens op.
Zo sprak ze een paar maanden geleden over haar bezoek aan Wenen tijdens de Kerstvakantie.Zij belandde toen, terwijl zij rustig met haar gezin aan de hotelbarzat, tussen een troep bejaarde Nederlandse hotelgasten, die netterugkwamen van een of andere Strauss-uitvoering. Ik citeer even: "Naafloop van het concert, aan de hotelbar, gedroegen ze zich alsbrallende pubers. ‘Die wijn is troep! Hoho, niet voordringen! Ik zeg:in Holland had ik mijn pilsje allang gehad! Maar dat versta jijzogenaamd niet, hè?’" Speciaal voor de gelegenheid declammeerde ze decitaten van de bejaarde hotelgasten met een Amsterdams accent, dat zeuiteraard geenszins beheerste, omdat het een net meisje is.
Haar geliefde Wenen bleek tot een commerciële kermisverworden waar brallende Hollandse bejaarden de dienst uitmaakten.Gelukkig nam ze de volgende dag de streekbus naar Beethovenswerkadressen: "Het viel op dat de weinige Beethovenliefhebbers,Russisch, Japans, Frans, Amerikaans of Italiaans, niet haastig,geërgerd en kwebbelziek langs de gedenktekens marcheerden, de camera inde aanslag: ze namen voor elk detail de tijd." Geen Hollander tebekennen, kortom. Om het te verpesten voor de rest.
Hierovernadenkend komt vrouwe Van Brederode tot een verbluffende ontdekking:"Identiteit heeft niets met Blut und Boden te maken, of, wat netter,met je wieg en wortels, maar alles met je lievelingsmuziek." En dankrijgt ze een idee: "Misschien kunnen we nieuwe landen maken, een landvoor Mozartfans, voor Bachadepten, een land voor Beethovenvereerders.Vrij internationaal verkeer gegarandeerd, maar je weet: bij een bezoekaan Straussland de oordopjes mee, niet om de Nieuwjaarswalsjes tevermijden, maar om overeind te blijven tussen de agressief luidruchtigebewoners."
Een weinig subtiel weet ze vervolgens een verbandte trekken tussen Jörg Haider-aanhangers en Strauss-liefhebbers, tussenbrallende bejaarde Hollanders en xenofobie. Waarna ze in één moeitedoor beweert dat het wel meevalt met de xenofobie van de luidruchtigenzolang ze hun muziek maar van over de grens halen. Alsof het bloed ende bodem van Strauss zo heel erg ver afstaan van de Hollandse kleiwaaruit Fransje Bauer is getrokken.
Ik bedoel, het slaat nergens op. En het maaktbovendien duidelijk in wat voor wereld Désanne van Brederode leeft. Ineen wereld waarin luidruchtige Hollandse bejaarden die je kerstrustkomen verstoren je grootste nachtmerrie vormen. In een wereld waarinxenofobie niets meer is dan een oprisping waarover je je geen enkelezorgen hoeft te maken zolang mensen naar buitenlandse componistenluisteren. En in een wereld waarin er geen andere muziek bestaat danklassieke muziek. Dat er mensen bestaan die graag de polonaise doen opde wanstaltige walsjes van Johan Strauss luisteren, valt te overzien.Zolang je je oordopjes maar bij je hebt en je je kunt terugtrekken naarBeethovenland, waar iedereen "het hele jaar aandachtig naar muzikaalvuurwerk luistert, zonder er hard doorheen te klappen." Maar ik dan?Naar welk land zal ik moeten worden gedeporteerd? Afgelopen vrijdag hebik nog uitbundig staan meeschreeuwen met en bier gegooid naar de ClawBoys Claw. Ik vrees dat ons Buitenhofprinsesje het niet had overleeft.Eeuwig op de vlucht voor de klassiekfundamentalisten zal mijn lotvermoedelijk zijn, opgejaagd door de vazallen van Désanne vanBrederode, tot ik mij voorgoed onvindbaar maak in een grot in ToraBora.
U wilt dit stukkie met wat meer leuke plaatjes? Hiero.

Momenteel draait in de Nederlandse bioscoopzalen onder de Engelse titel ‘You, the Living’ de film Du Levande, van de Zweedse regisseur Roy Andersson. In onze vaderlandse pers is deze film (zie hier de trailer) met gejuich ende klaroengeschetterontvangen. En hoewel Du Levande een paar zeer fraaie momenten kent,durf ik hier toch wel met volle overtuiging te beweren dat hetenthousiasme van de usual suspectsenigszins ten onrechte is. Het kijken naar Du Levande is geenszins eenmarteling van twee uur te noemen, alleen, de lof die het nu alom krijgttoegezwaaid, verdient enige relativering.
Degemoedstoestand waarmee ik na vertoning van de film op het IFFR (nubijna twee maanden geleden) de Rotterdamse nacht betrad, was eenzeurend gevoel van onbehagen. Niet het soort onbehagen dat je hebt nahet zien van een film van David Lynch, en ook niet het soortexistentiële onbehagen waarmee Bob den Uylzijn onweerstaanbare verhalen heeft gevuld, maar meer het soortongehagen dat je hebt wanneer je de hele nacht wakker wordt gehoudendoor een mug die zich, met tussenposen van een klein kwartier, telkensweer herinnert dat hij zijn zinnen heeft gezet op het bloed in jeoorschelp.
Mijn irritatie zat ‘m voornamelijk in de gratuiteaard van Anderssons absurdisme, die zo consistent doorgevoerd wordt,dat je het gevoel krijgt naar iets te kijken wat wel degelijk enigebetekenis heeft, maar dat uiteindelijk niet heeft. Andersson doet alsofhij iets belangrijks te vertellen heeft over de condition humaine dooreen reeks trage, melancholisch getinte sketches over zijn publiek uitte storten, die aaneen hangen van het menselijk tekort in het algemeenen miscommunicatie in het bijzonder. Maar eigenlijk vertelt hij nietzoveel meer dan dat wij, de levenden, gedoemd zijn te mislukken en datwij desondanks moeten blijven proberen er het beste van te maken. Opzich een prima boodschap, maar doordat het in zo’n strak conceptgegoten is, raakte ik tijdens het kijken niet zozeer in de bedoeldemelancholische stemming, maar in een melige. En dat kan nooit debedoeling zijn geweest.
Vanafde tijd dat hij commercials maakte, filmt Andersson eigenlijkuitsluitend in scènes die uit één statisch shot bestaan, en die het vaneen perfecte timing moeten hebben. Mensen die willen laten merken datze niet van de straat zijn, noemen zo’n uit één camerastandpuntgeregistreerd tafereetje een tableau vivant. (Merk op dat ik, doorenigszins denigrerend te spreken over ‘mensen die willen laten merkendat ze niet van de straat zijn’, een excuus verzon om ongestraft hetwoord tableau vivant te kunnen gebruiken, waarmee ik op mijn beurt laatmerken niet van de straat te zijn.) Zie bijvoorbeeld de still bovenaandeze pagina uit een scène waarin een oud mannetje tergend traag achterzijn rollator het beeld in komt lopen en blijft doorlopen totdat blijktdat hij een in zijn lijn verstrikte teckel achter zich meesleept. Alsafzonderlijk filmpje kan dat best grappig zijn, maar als onderdeel vaneen twee uur durende reeks meer en minder geslaagde grol du jours kon het me maar matig boeien.
Zonu en dan toont Du Levande een tafereeltje dat wel het onthouden waardis. De scène waarin een plaatselijke, uit werklozen en gepensioneerdenbestaande fanfare in een leegstaand flatgebouw oefent terwijl buitenhet noodweer losbarst, wist mij werkelijk te betoveren. Maar dat kanook komen doordat ik heel erg van zich traag voortslependefanfaremuziek houdt. En het eindshot, waarin zich langzaam een dekenvan B52’s over het niet bestaande postsocialistische stadje ontvouwt,kon tellen qua eindshot. Maar dat was het wel zo’n beetje. Of nee, watook wel aardig was, was een scène waarin een man tijdens een misluktfamiliediner de sfeer een beetje wil opkrikken door de truc met hettafellaken uit te voeren, maar doordat de tafel een kleine acht meterlang is, flikkert het eeuwenoude familieservies met al het kabaal vandien te pletter. Als gevolg daarvan wordt de veroorzaker van ditfamlieleed ter dood veroordeeld door rechters die halverwege het vonniseen goed glas bier vanonder hun toga vandaan halen.
Datgoede glas bier van die rechters verpestte het voor mij vervolgens,want daardoor werd ik er weer op geattendeerd dat Du Levande opgezetwas als een serie achter elkaar gezette dromen van een hoopjemistroostige en wanhopige mensen. Net terwijl de scène iets gezelligskafkaiaans begon te krijgen, moesten die rechters zonodig bier gaandrinken tijdens de rechtzitting. Waarmee ik op mijn zoveelste punt vankritiek kom: het op een misverstand rustende idee dat dromeninteressant zijn. Je eigen dromen zijn dat misschien, andermans dromenzelden. Hoe mooi ze ook in beeld zijn gebracht. Tenzij dromen eenfunctie hebben in je verhaal, moet je ze niet verfilmen. Dat je heleverhaal uit een reeks dromen bestaat, noem ik geen excuus.
Terwijlik afgelopen zondag over de saaiheid van dromen mijmerde, plopteineens, als een soort pop-up in mijn gedachten, de film Living in Oblivionnaar boven. Daarin probeert een door Steve Buscemi gespeelde wanhopigeregisseur een tot mislukking gedoemde film te maken. In die film ziteen droomscène waarin een dwerg figureert. Op een gegeven moment heeftdie dwerg er genoeg van en valt hij uit tegen de regisseur: “Waarom,als er een droom gefilmd wordt, moet er altijd een dwerg in voorkomen?Niemand droomt ooit over dwergen. Zelfs Ãk droom nooit over dwergen.â€
Wilt u dit stukje lezen met plaatjes en geinige onderschriffies, moet u hier zijn.
Harry Mulisch (Foto: Anton Corbijn, 2036)
VAN UW VERSLAGGEVER IN DE VERRE TOEKOMST: Het was weer een dolle boel gisteren, op de zoveelste aflevering van het Boekenbal. De hoeveelste het precies was, wist niemand met zekerheid te zeggen. De meesten waren de tel kwijtgeraakt. Dat wij inmiddels in het jaar 2038 leefden, was bij de het merendeel wel bekend, maar aangezien geen van de ondervraagden zich kon herinneren wanneer het eerste boekenbal had plaatsgevonden (waar een niet onaanzienlijk deel van de genodigden overigens bij aanwezig was geweest) heeft niemand een poging gewaagd het uit te rekenen. Had men zich wel kunnen herinneren dat het eerste bal in 1947 was georganiseerd, dan nog was waarschijnlijk niemand in staat geweest het uit te rekenen, aangezien het rekenkundig vermogen bij de aanwezige schrijvers schitterde door aanwezigheid.
Wie, zoals gewoonlijk, ook schitterde door afwezigheid was schrijver-profeet Arnon Grunberg. Vanaf zijn berg in Madagascar had hij per postduif laten weten dat hij, samen met zijn 144-koppige gevolg, liederen zou zingen voor het zielenheil van A.F.Th. van der Heijden. “De ziel van collega Adri is immers doodziekâ€, aldus de immer bedeesde Grunberg na lezing van Van der Heijdens nieuwste boek ‘Breuklijn 0522’ (zowel het 84e deel van de Tandeloze Tijd als het 52e van Homo Duplex), het ruim 1800 pagina’s tellende ‘meesterwerk’ (dixit Arjan Peters) dat handelt over de moordaanslag op premier P.R. De Vries door Natalee van der Sloot in 2024, tegen de achtergrond van de aardbeving die in datzelfde jaar grote delen van Noord- en Zuid-Holland en Flevoland wegvaagde. Niks nieuws onder de zon dus. Het mag zo langzamerhand een traditie genoemd worden, Grunberg die voor het zielenheil van zijn ‘antichristje’ zingt.
Heleen van RoyenSamen met haar echtgenoot Ton arriveert boekenballaureaat Heleen van Royen iets te vroeg (de rode loper was nog niet eens uitgerold) bij de schouwburg.Van der Heijden zelf was overigens de hele avond zeer in zijn nopjes, maar dat kan ook gelegen hebben aan de extra zuurflessen die hij toegediend had gekregen nadat Heleen van Royen bij binnenkomst spontaan bij hem op schoot was komen zitten. Bij Van Royen schoot hierdoor de heup uit de kom, wat tot algehele hilariteit leidde. Iedereen was het er over eens dat het door haar geschreven boekenweekgeschenk, getiteld ‘Een gerimpelde kut kan ook van verlangen branden’, een toonbeeld van goede smaak en diepgang was in een maatschappij die soms van normvervlakking aan elkaar lijkt te hangen. Bovendien bleek het Boekenweekgeschenk eindelijk weer eens aan te sluiten bij het thema van de Boekenweek: Heilig Vuur.
In het kader van dit thema had Freek de Jonge beloofd ‘nog eenmaal het heilig vuur te doen oplaaien’, door zichzelf op het podium in brand te steken. Het werd niet met zoveel woorden gezegd, maar het leek er verdacht veel op dat dit vooruitzicht voor de opgelaten stemming zorgde die over de avond heerste. Men heeft het inmiddels wel gehad met Freek de Jonge. Iedereen hield de adem dan ook in toen Freek de Jonge het podium betrad. Als Cees Nooteboom niet zo luidruchtig had lopen snurken, had men een speld kunnen horen vallen. Zou de wereld dan eindelijk verlost worden van het eeuwige gezeur van De Jonge? Met hoge uithalen en een buitenproportioneel gevoel voor dramatiek begeleidde de inmiddels stokdove ‘komiek’ de bevende gang van zijn rechterhand naar zijn linkerbinnenzak, waarin een zakflaconnetje kerosine en een doosje lucifer zouden zitten. De teleurstelling was enorm toen De Jonge meldde dat hij het doosje lucifers kennelijk had laten liggen bij de crematie van zijn vrouw Hella, die een week daarvoor had plaatsgevonden. De performance eindigde ermee dat De Jonge aankondigde een vuurtje aan de 110-jarige Harry Mulisch te gaan vragen die, zoals bekend, inmiddels alleen nog maar uit een hoofd in een glazen wekpot bestaat en dientengevolge, bij gebrek aan ledematen, niet in staat is een lucifer af te strijken. Daar komt nog eens bij dat de heer Mulisch reeds lang geleden gestopt is met het roken van zijn pijp en daarom vermoedelijk helemaal geen lucifers bij zich had. Het enige komische van de hele happening was dat Freek de Jonge de rem van zijn fonkelnieuwe rollator nog niet wist te vinden en bij de gang naar de trap van het podium in de concertbak lazerde. Maar toen dat gebeurde was de zaal inmiddels grotendeels verlaten.Iedereen zat immers reeds in de foyer, of leefde zich uit op de dansvloer. Voor zover je daar bij een gezelschap waarvan de gemiddelde leeftijd 92 jaar bedraagt van kunt spreken.
De avond verliep verder zonder noemenswaardige incidenten. Zoals de traditie dicteert, werd de complete inrichting van de Meppelse Schouwburg langzaam maar zeker kaal gestript. Wij zagen Cees Nooteboom met een gigantische kroonluchter op zijn schoot en een even zo grote grijns op zijn gezicht uit de schouwburg geduwd worden door zijn levensgezelin Sacha de Boer. Beau van Erven Dorens blèrde dat hij Albert Verlinde op zijn bek zou slaan, aangezien deze iets beledigends had gezegd over Van Erven Dorens beschamende optreden in het door hemzelf geschreven RTL Boulevard: The Musical. Het gebrek aan gefronste wenkbrauwen dat dit stukje drama opleverde had iets tragisch. De rest van de avond was Van Erven Dorens jankend boven de wc-pot te vinden.
Joost Zwagerman bleef bij DJ Vinkenoog maar om plaatjes van het lang vergeten, maar volgens de bebrilde schrijver zwaar onderschatte Twarres zeuren. Ergens had hij wel een punt, want de hele avond naar ‘Everybody must get stoned’ van de vorig jaar overleden Bob Dylan moeten luisteren was wel heel eentonig, ook al is het nog zo’n legendarische bootleg waarop je het gegrinnik van Beatles-poeet Alan Ginsberg kunt horen als je goed luistert. Twee politieagenten zorgden ervoor dat Leon de Winter niet binnen een straal van 30 meter tot Jessica Ellian-Durlacher kon naderen. De monumentale trap van de Meppelse schouwburg werd aan het eind van de avond uiteraard ingenomen door het hoofd van Harry Mulisch en zijn dierbaren. En Connie Palmen zoop en rookte weer dat het een aard had. In het getekende gelaat van de comateuze Hans van Mierlo was bijna een glimlach te ontdekken. Tot volgend jaar.
Wilt u deze tekst lezen met plaatjes en onderschriffies, moet u hier zijn.
Ooit zag ik een documentaire over het recht in Nederland, waarin eenrechter vertelde dat hij in de ogen van de misdadigers, hoe vreselijkhun misdaden ook waren geweest, altijd wel iets menselijks konontdekken. Een klein vonkje van berouw, of spijt, of onmacht, ofschaamte, of woede. Behalve bij een, daar zag hij helemaal niks. In No Country For Old Men hebben de gebroeders Coenhet voor elkaar gekregen om een personage te creëren wiens ogen deovertreffende trap van niks weerspiegelen. Ogen als zwarte gaten waarinal het goede verdwijnt. Iemand die niet moordt omdat hij ervan geniet,of omdat hij een hoger doel heeft, of iets moet wreken, of gefrustreerdis, maar gewoon omdat het zo nu en dan wel zo gemakkelijk is. Hijmoordt wanneer het hem uitkomt, en dat is behoorlijk vaak.
Nuzult u wellicht denken: hebben de gebroeders Coen het leven van RikFelderhof verfilmd? Nee, dat hebben ze niet. No Country For Old Men iseen verfilming van het gelijknamige boek van Cormac McCarthy,wiens afgemeten proza de werelden van zwijgzame mannen beschrijft dievechten tegen de elementen, of tegen elkaar. Het Absolute Kwaad in NoCountry for Old Man luistert naar de naam Anton Chigurg (gespeeld door Javier Bardem)en draagt een pikzwart minstrelenkapsel dat elke verbeelding tart. Hethoofd daaronder is buitenproportioneel groot, de ogen liggen diep in dekassen, zijn omringd door zwarte kringen, en hebben dikke donkerewenkbrauwen als timpaan. Anton heeft twee favoriete wapens: een shotgunmet een enorme geluidsdemper, en een gasfles met daaraan een slangetjewaarmee je slachtvee pneumatisch een pin in het hoofd kunt jagen. “Theynever know what hit themâ€, zegt sheriff Ed Tom (Tommy Lee Jones) daarover. Hij heeft het op dat moment over koeien, maar het geldt evengoed voor de slachtoffers van Anton.
Vanafhet allereerste begin van de film weet je dat je iets te wachten staat.Dat hier hele erge dingen gaan gebeuren. Dat dit anders is dan anders.Een naar voorgevoel, zeg maar. Het is 1980. Vietnamveteraan LlewelynMoss (Josh Brolin) stuit,tijdens zijn jacht op een antilope, midden in de woestijn vanWest-Texas op een kringetje pick-ups met daaromheen wat dode mannen endode honden. Ikzelf zou mij meteen uit de voeten hebben gemaakt om zospoedig mogelijk de autoriteiten in te lichten, maar Llewelyn is mijniet. Het komt er in het kort op neer dat hij uiteindelijk eenkoffertje met twee miljoen dollar vindt, dat hij meeneemt. Stomnatuurlijk, want iedereen weet dat daar problemen van komen, enLlewelyn weet dat ook, maar omdat hij in Vietnam heeft gediend,verkeert hij in de veronderstelling dat hij wel voor hetere vuren heeftgestaan, en dat het hem wel gaat lukken om hier zonder al te veelkleerscheuren en als rijk man uit naar voren te komen.
Numoeten we Llewelyn nageven dat hij niet voor één gat te vangen is. Hijstaat zijn mannetje, weet hoe je zo min mogelijk risico moet nemen,blijkt behoorlijk vindingrijk en zeer koelbloedig. Wanneer hij in eensnel stromend riviertje, terwijl hij net in zijn schouder is geraakt,wordt achtervolgd door een bloeddorstige pitbull, is hij alert genoegom eerst het magazijn van zijn revolver droog te blazen, alvorens hijde op hem af springende hond door de borst schiet. Kuddo’s voorLlewelyn.
Net als in Fargo hebben de gebroeders Coen ook in No CountryFor Old Men een huiselijk tegengewicht voor alle destructieve krachtendie de wereld teisteren en zoveel levens opeisen. In Fargo was het dezwangere politieagente Marge die zich zo nu en dan hardop afvroegwaarom het toch allemaal nodig was, al dat geweld. In No Country ForOld Men is het de door Tommy Lee Jones gespeelde sheriff Ed Tom Belldie hoofdschuddend door de film wandelt. Hij is oud, hij is moe, hijheeft veel gezien, maar waar hij nu tegenover staat, daar is hij niettegen opgewassen. Dat weet hij. Ergens aan het eind van de film zegthij tegen een collegasheriff het gevoel te hebben op een spook tejagen. Maar het is geen spook. Het Absolute Kwaad loopt gewoon rond, enhet moordt zoals u en ik zo nu en dan een doos opzij zetten die in deweg staat. (Met dit verschil dat Anton vaker een mens tegenkomt die hemin de weg staat, dan u en ik een doos. Tenzij u bij een verhuisbedrijfwerkt, of in een dozenfabriek.) Gelukkig heeft Ed Tom een liefhebbendevrouw die de melancholie van haar man liefdevol accepteert en bereid iszo nu en dan naar zijn dromen te luisteren.DatNo Country For Old Men onnavolgbaar knap in beeld is gebracht, hoef iku hopelijk niet te vertellen. Het zijn de gebroeders Coen, goddamnit.En ze hebben nog nooit zo mooi geregisseerd, gefotografeerd engemonteerd. Vandaar het gratis Officiële Panzerfaust Omfietsadvies©®aan de Academy of Motion Picture Arts and Science: geef die mannen een Oscar. En geef Javier Bardem er ook een. Want het Absolute Kwaad, daar geef je niet zomaar gestalte aan.
Wie dit stukkie met geinige foto’s en dito onderschriften wil lezen, moet hier zijn.
In het kader van de Panzerfaust Week van de Basiskennis (PFWVDBK)zou ik graag beginnen met het weerleggen van deevolutietheorieën van Darwin.
Charles Darwinen z’n evolutie, wie is er niet groot mee geworden? Hele volkstammennatuurlijk, maar daar gaat het nu niet om. Iedereen die tegenwoordigserieus genomen wenst te worden in dit deel van de beschaving, moet determen natuurlijke selectie en de strijd om het bestaan in zijn rugzakkie vol basiskennis hebben zitten Survival of the fittest,hoor je ook vaak. (Overigens, heb ik tot nog maar een minuut of driegeleden altijd in de veronderstelling verkeerd dat ‘fittest’ sterktsteof fitste betekende. Ontzettend stom van mij natuurlijk, en dat terwijlik van ver vóór het Studiehuis ben. ‘Fittest’ schijnt, zo begrijp ikvan Wikipedia,van ‘to fit’ te komen wat aanpassen betekent. Survival of the fittestbetekent, kortom, de Overleving van de meest Aangepaste. Dus niet desterkste overleeft, degene die zich het best heeft aangepast. Eenbelangrijk verschil. Heeft u weer wat om in uw rugzakje te stoppen.)
Nu las ik afgelopen zaterdag een artikeltje in het NRC-tiewaarin een of andere bioloog, Stephen P. Hubbell genaamd, aan het woordkwam die op een of ander eilandje in een of andere grote oceaan het eenof ander aan het onderzoeken was. Op dit eilandje, met een oppervlakteter grootte van Texel, bevond zich een duizelingwekkendeverscheidenheid aan planten- en dierensoorten. Die diversiteit was zogroot dat de strijd om het bestaan in feite onder je ogen plaatsvond.Als ergens iets verdween, kwam er iets anders voor in de plaats. “Welkefactorâ€, zo vroeg de man zich af, “zorgt er nu voor welk organisme eenander organisme vervangt.†De man was, als ik het goed heb begrepen,tot de conclusie gekomen dat er een volledige willekeur aan tengrondslag lag. Alle soorten bleken aan elkaar gelijk. Of preciezergezegd: de verschillen tussen de soorten zijn niet relevant voor hetevolutionaire succes. Dit noemde hij ‘de neutraliteitstheorie’. Hetenige wat je met zekerheid kon zeggen was dat een soort met een grotepopulatie een grotere kans had om zich te verspreiden dan een soort dieuit een kleine populatie bestond. Maar los daarvan bleken alle soortengelijkwaardig aan elkaar, en hadden alle soorten een evengrote kans omergens, waar dan ook, te overleven. Hij had daar nog een formule bijverzonnen die, tot nog toe, niet weerlegd was, hoe graag andereevolutionisten dat ook zouden willen. Die andere evolutionisten schenennamelijk niet blij te zijn met de theorieën van meneer.Deconclusie dat alle soorten gelijkwaardig aan elkaar zijn en in wezeneen even grote kans hebben om te overleven, deed mij denken aan hetessay ‘Een dag uit het leven van de reuzenkoeskoes’van Karel van het Reve, uit de gelijknamige bundel. In dit artikel, uithet jaar 1979, uit de ‘geleerde broer’ van Gerard reeds zijn twijfelsover het Darwinisme. Hij heeft drietal kanttekening geplaatst:
1.Nieuwe soorten ontstaan door mutaties. Volgens evolutionisten blijvenmutaties, door natuurlijke selectie, bestaan als ze een direct voordeelopleveren. Echter, die mutaties doen er honderdenmiljoenen jaren overom tot een definitieve versie te komen. Wat K. van het Reve zichafvraagt, is hoe die tussenliggende fases ervoor hebben gezorgd dat desoort kon blijven bestaan. De tussenliggende fases die misschien nietmeteen voordeel opleverden, maar volstrekt nutteloos waren.
2.Hoe kan het dat een soort die een bepaald voordeel nÃet heeft, toch kanblijven voortbestaan? De giraffe heeft een langere nek zodat hij beterbij de hoge blaadjes kan. Dat heeft zijn voortbestaan bevordert. Hoekan het dan dat de zebra, die niet bij de hoge blaadjes kan, dan nogniet is uitgestorven? Waarom, als de sterksten overleven, hebben dezwaksten de strijd om het bestaan niet verloren? Omdat, zo zeggen deevolutionisten, de zwakkeren weer andere voordelen hadden, die hunvoortbestaan hebben verzekerd.
3. Waarmee Van het Reve met zijnderde, en belangrijkste kritiekpunt komt: het Darwinisme klopt altijd.Achteraf kun je altijd iets vinden waardoor het sluit. “Zodra een soortoverleeft, weet men precies dÃe eigenschappen aan te wijzen die tot datoverleven geleid hebben. En zodra een soort uitsterft weet men tevertellen waarom de arme dieren niet opgewassen waren tegen de strijdom het bestaan.â€
Met behulp van wetenschapsfilosoof Karl Popperlaat Karel van het Reve zien dat het Darwinisme, net als het Marxisme,een theorie is die ‘onweerlegbaar’ is: er valt geen plant of dier tebedenken dat door zijn bestaan de theorie omver zou kunnen werpen. Detheorie klopt altijd. Van het Reve haast zich erbij te zeggen dat ditniet hoeft te betekenen dat de evolutietheorie niet waar is. Wellichtis het wel waar, maar te bewijzen valt het niet, want het tegendeel isonmogelijk te bedenken. Het Darwinisme redeneert terug. Als iets hetheeft overleefd, dan heeft het overleefd doordat het heeft overleefd.Eigenlijk moet het niet zijn ‘survival of the fittest’, eigenlijk isDarwinisme ‘survival of the survivors’.
Vervolgens valt Van het Reve ook nog eens Popper aan, diebeweert dat plant, mens en dier zich ontwikkelt door ‘trial and errorelimination’. Door te testen en dat wat niet voldoet te elimineren,verbeteren plant, mens en dier zich. Volgens Van het Reve is dit echteronzin. Een gewoonte of een eigenschap kan duizenden jaren bestaanzonder dat het een bewezen nut heeft. Zo geloven hele volksstammen datkamillethee goed is tegen de verkoudheid, terwijl dit nooit is bewezen.Maar omdat niemand er minder van wordt, kan het blijven bestaan:“Daarin onderscheidt het spoelen met kamille zich van het eten vancyaankali. “ Aldus Van het Reve. Trial, zo zegt hij, moet niet wordenopgevat als iets wat men probeert om te kijken of het ergens goed vooris. Trial is iets wat men probeert en wat herhaalbaar is. Valt iets teherhalen, dan gaat men er mee door. Anders probeert men weer ietsanders. (Dit deed mij overigens denken aan een gedichtje dat ik ooitheb gehoord over alcoholisme, waarin de dichter zich afvraagt waaromhij zoveel drinkt. Het antwoord luidde als volgt: “Why does a dog lickshis arse? / Because he can.â€) Zomoeten mutaties ook gezien worden. Iets ontstaat omdat het kan bestaan.Iets evolueert omdat de nieuwe situatie niet nadelig is. Het gaat erniet zozeer om of iets voordelen oplevert, het gaat erom dat er nietzoveel nadelen aan kleven dat het tot uitsterven leidt. Ik weet niethoe het in de huidige stand van de wetenschap gesteld is met deevolutietheorie. Of men zich iets van de kanttekening van Van het Reveheeft aangetrokken. Van Wikipedia begreep ik dat er nog steeds wel zo’nbeetje hetzelfde over denkt als toen, eind jaren ‘70. Zeker waar het natuurlijke selectiebetreft. Maar, kijkend naar de bevindingen van Stephen P. Hubbell, zouVan het Reve er wel eens niet zo heel ver naast kunnen zitten. Het leekmij dan ook nuttig om u, onafhankelijk denker die u bent, metbovenstaande gedachtegangen te laten kennismaken. Al is het maar om teweten dat ook basiskennis, hoe basaal ook, altijd in twijfel getrokkenkan worden.
In het kader van Valentijnsdag (14 februari) heb ik gisteren wat e-kaartjes gemaakt die u extragratis en voor extraniks hier kunt downloaden om op te sturen naar het object van uw verlangen. Echte liefde kent uiteraard geen vaste datum. U kunt ze dus net zo goed het hele jaar doorsturen.
Om dit stukjes met fotootjes en onderschrifffies te lezen, moet u hier zijn.
In de loop van zondagavond, toen half Nederland aan de buisgekluisterd zat om te zien hoe Peter R. de Vries de Zaak Holloway had‘opgelost’, verspreidde zich in Drachten het gerucht dat Joran van derSloot daar was gesignaleerd. Al snel een kleine menigte verzameld voorhet huis waar volksvijand nummer 1 zich schuil zou houden. Er kwamencameraploegen op af die aanbelden bij ene Johan die, gevraagd naar dewhereabouts van Joran van der Sloot, door de intercom meldde dat hijdaar niks over kon loslaten. Aan dit mysterieuze antwoord hadden de Drachtenaren genoeg.Voor de camera van 1 Vandaag zag ik een vrouw die zei dat ze Joran vander Sloot naar ‘de heer zou helpen’, mocht die het in zijn hoofd halenzijn huis te verlaten. Anderen hadden zich reeds de toegang weten teverschaffen tot het appartementencomplex en wisten door te dringen totde deur van de onfortuinlijke Johan, die binnen voor zijn leven zat tevrezen. Uiteindelijk is het met een sisser afgelopen, toch meen ik datwij hier getuige waren van een ouderwetse lynch mob. Het enige watontbrak waren de hooivorken en de brandende fakkels.
Erzijn, met name in de jaren ’30, een aantal belangrijke films gemaaktover de machinaties van volkswoede. Films waarin het volk het recht ineigen handen neemt en besluit om de crimineel in kwestie dan zelf maarop te jagen en af te maken. Politie en justitie staan immers toch maarmet de handen in de zakken langs de zijlijn. Zie bijvoorbeeld M – Eine Stadt sucht seine Mörder,van Fritz Lang, waarin een burgerwacht op jacht gaat naar een fluitendekindermoordenaar, en al snel het zekere voor het onzekere neemt en zichop alle outcasts gaat uitleven.
Terwijl ik zo aan hetnadenken was over soortgelijke films, wist ik ineens aan wie Joran vander Sloot mij al die tijd had doen denken. Vanaf de eerste keer dat ik‘m had gezien, in een uitzending van Nova, probeerde ik te achterhalenwaardoor Joran van der Sloot mij zo bekend voorkwam. En nu, terwijl ikmij films probeerde te herinneren waarin een angry mob het recht ineigen handen nam, films waarin een menigte, gewapend met brandendefakkels en hooivorken, een medemens hun dorp uitjoegen, schoot de film Frankenstein(James Whale, 1931) mij te binnen. Daar viel het kwartje: die vierkantekop van Joran van der Sloot deed mij al die tijd denken aan de kop vanFrankenstein, zoals gespeeld door Boris Karloff.

In deze scène zien we hoe Frankenstein wordt uitgenodigd door een klein, onschuldig meisje om mee te spelen aan de waterkant.Frankenstein gaat zo op in de lieflijkheid van het spelletje, dat hij,uit puur enthousiasme, het meisje op een gegeven moment in het watergooit, waarin ze verdrinkt. Frankenstein weet dat hij een fout heeftbegaan, dat hij zijn fout niet meer goed kan maken, en dat hij niet zoukunnen uitleggen wát er precies fout ging. In plaats van een goeievriend in te schakelen, die het lichaam doet verdwijnen, terwijl hijzelf naar huis gaat om wat porno te downloaden zodat hij een alibiheeft, raakt Frankenstein in paniek. Het duurt niet lang voordat dedorpsbewoners door hebben hoe de vork in de steel zit en hun klopjachtbeginnen. Die klopjacht eindigt met het in brand steken van een molen,waarin ze Frankenstein hadden weten op te jagen.
De volgende Frankenstein-film (The Bride of Frankenstein,James Whale, 1935) begint waar de eerste Frankenstein-film eindigde:bij de brandende molen. In deze scène ziet u hoe actrice Una O’Connorals juffrouw Minnie in haar eentje gestalte geeft aan het fenomeenvolkshysterie. Het monster is dood, en alle problemen zijn voorbij. Ukunt zich wel voorstellen hoe zij, met haar tot aan de wortels van hetscrotum doortrillende schrille stem, voor de hoogste boom pleitte toenhet monster nog vrij rondliep. Het stikt in de wereld van de Minnie’sdie, wanneer ze de mogelijkheid krijgen, hun eigen morele superioriteitdenken te bewijzen door zo hard mogelijk om vergelding te schreeuwen.Het soort dat in mei 1945 met hun scheerapparaten in de aanslag demoffenhoeren buiten hun huizen stond op te wachten. Maar nu kun je veelvan de Minnie’s zeggen, verantwoordelijk voor het monster zijn zenooit. In Frankenstein was het een geflipte wetenschapper die voor Godspeelde door uit dode mensen een levend wezen te creëren. Maar wie iser verantwoordelijk voor de creatie van het monster Joran?
Ineerste instantie is dat Joran zelf. Wat er ook gebeurd is op datstrand, als die jongen zich nu een beetje gedeisd had gehouden, inplaats van constant op uitnodigingen van Pauws en Wittemannen in tegaan, dan was het allemaal nooit zo uit de klauwen gelopen. Het begonallemaal toen Joran zich door Twan Huys liet interviewen, ergens op eenhotelkamer in Amerika, waar hij was op uitnodiging van een talkshow,waarin hij zijn onschuld zou bewijzen. Dat hem dat nooit zou lukken metdat rare hoofd van ‘m, wist kennelijk niemand hem duidelijk te maken.Maar al snel begon Joran van de aandacht te genieten. Hoe meer hij inde publiciteit kwam, hoe onaantastbaarder hij zich leek te wanen.Bovendien bleek dit deel van het monster, zoals gecreëerd door Joran ende media, veel aandacht van de chickies op te leveren.
Hetandere deel van het monster, het deel dat de volkswoede deed ontlaaien,is gecreëerd door mad scientist Peter R. de Vries. Peter R. zag weereens een buitenkansje om zichzelf in de schijnwerpers te zetten, en ditkeer zouden de schijnwerpers zo fel zijn dat hij vanaf de hele wereldte zien zou zijn. Om zoveel mogelijk publiciteit te genereren begonP.R. de Vries drie dagen voor de uitzending te verkondigen dat hij deZaak Natalee Holloway had opgelost. Niet opengebroken, maar opgelost.Dat is nogal wat. (Nu had hij de moord van JFK ook al eens opgelost,dus ik nam het al met een korreltje zout.) Zo zag hij zich verzekerdvan optimale media-aandacht.
Aangezienik geen zin had om mijn beoordelingsvermogen door de manipulaties vanDe Vries te laten vertroebelen, heb ik afgelopen zondag echter nietnaar de bewuste uitzending gekeken. Bovendien kan ik er fysiek niettegen, naar iets kijken dat twee uur duurt, terwijl het in een halfuurtje verteld had kunnen worden. Dat eindeloze uitsponnen van DeVries, dat rekken, dat continu samenvatten van wat er tot dan gebeurdis, die tergend trage reconstructies, tv voor debielen, ik kan er niettegen. Helaas won ook bij mij m’n nieuwsgierigheid het zo nu en dan vanmijn voornemen niet te kijken, zodat ik, in de reclamepauzes van 40Year Old Virgin, toch een paar keer ben uitgewaaierd naar Peter R. deVries, misdaadverslaggever.
Zo zag ik al meteen, rond de klokvan half tien, dat de strijd tussen De Vries en Van der Slootpersoonlijk was geworden: de uitzending begon met het wijnincident. Hetwas of Peter R. de Vries met deze uitzending wraak ging nemen. Een halfuurtje later zag ik Joran van der Sloot in de Range Rover tegen zijnnieuwe vriend Patrick bekennen dat hij de nacht toen hij NataleeHolloway in zee had laten dumpen uitstekend had geslapen. Waarop wijPeter R. de Vries vanaf het strand van Aruba op ernstige toon in decamera zijn oordeel zagen vellen over Joran van der Sloot, met diedodelijk saaie stem van ‘m: “Geen seconde heeft hij er minder omgeslapen. Hoe gewetenloos kan iemand zijn?†Vroeg hij retorisch. PeterR. de Vries ontmaskerde, klaagde aan en sprak het vonnis uit. Daar, indie door Peter R. de Vries geprepareerde auto, zat een gewetenloosmonster. We konden het allemaal zelf zien. Het oordeel over Joran zoudefinitief geslecht worden door de moeder van Natalee Holloway, diespeciaal door Peter R. de Vries was overgevlogen uit Alabama. Waarom erniet even zelf naartoe gaan, denk je dan, als je zo begaan bent met hetlot van deze radeloze vrouw. Maar nee hoor, zoals zovelen voor haarmoest ook Beth Twitty in dat armoedige studiootje van Peter R. de Vriesplaatsnemen, om daar te vernemen dat haar oogappeltje haar laatste ademuitblies terwijl ze manueel bevredigd werd door Joran van der Sloot. Endiezelfde Joran van der Sloot vertelde nu tegen zijn goede vriendPatrick van der Eem ervan te hebben gebaald dat ze levensloos niet meerin staat bleek een wederdienst uit te voeren. Peter R. de Vries wreefhet er nog even in bij mevrouw Holloway: “Hoort u dat, hoe respectlooshij praat over Natalee?†Ja, ze had het gehoord. Joran van der Slootverdiende het niet om te leven.
Ondertussenhad Peter R. de Vries de zaak Holloway natuurlijk helemaal nietopgelost. Hij had een illegaal verkregen bekentenis van eenpathalogische leugenaar op tape staan. We kunnen met zekerheid zeggendat Joran van der Sloot weinig talent voor compassie heeft, wellichtkun je zeggen dat hij een narcistische persoonlijkheid heeft, dat hijeen sociopaat is voor mijn part, je kunt zeggen dat het een misselijkmannetje is, dat ie minder intelligent is dan ie zelf denkt. Je kuntook zeggen dat het een kind van z’n tijd is, opgevoed door ouders dieniet in staat bleken hem de verleidingen te ontzeggen die hem dedenontsporen. Je kunt een hoop zeggen, maar het moet voor een beetjeadvocaat inmiddels een koud kunstje zijn om niet alleen te zorgen datJoran van der Sloot uit het gevang blijft, maar ook nog eens een fikseschadevergoeding krijgt voor de beschadiging van zijn naam, waarmee hijwellicht de vergoeding kan betalen die de advocaten van de familieHolloway in een civiele procedure zouden kunnen eisen (heb ik van Sponggeleerd). Rechtsgeldig heeft de bekentenis van Joran van der Sloot geenenkele betekenis, en dat wist Peter R. de Vries maar al te goed. Andershad hij wel even gecheckt of die Daury überhaupt in Aruba was toen hijhet lijk van Natalee Holloway uit z’n bootje kieperde. Het ging PeterR. de Vries niet om de waarheid, het ging hem erom Joran van der Slootaan het kruis te nagelen. En dat is hem gelukt. Met dank aan eenhydraulische slangenboer met een enorm litteken op zijn wang, die nietzozeer achter de waarheid moest komen, maar ervoor moest zorgen datPeter R. de Vries’ eerdere vermoedens bevestigd zouden worden. En metdank aan de gretigheid waarmee de mens bereid is zijn medemens teveroordelen om het eigen geweten te sussen.Inmiddels is de oplossingvan de dood van Natalee Holloway misschien wel verder weg dan ooit. Ofzal het niet lang meer duren voordat Joran dan toch echt doorslaat eneindelijk bekent dat zijn vader en de broer van Patrick van der Eem hemdie nacht geholpen hebben om zich van het lichaam te ontdoen, en datPatrick van der Eem (die nog een rekening had openstaan bij judge Vander Sloot uit de tijd dat hij in heroïne handelde en dat mysterieuzelitteken had opgelopen) en Joran de handen ineen hebben geslagen en debekentenis in scène hebben gezet om zo de echte dader te ontzien? Jeweet het niet. Met dank aan Peter R. de Vries.